Lucifer

Als het doek opgaat zien we een tijd lang niets. Tot langzaam een figuur verschijnt in een flauw licht. De figuur beweegt zich naar voren op het podium. Het licht zwelt aan. De figuur blijkt een pop. De pop blijkt te worden voortbewogen door een acteur. De acteur is de poppenspeler en wij, toeschouwers, worden op dat moment voor een keuze gesteld: kijken we naar de pop of naar de poppenspeler? Het blijkt de eerste vraag in een voorstelling die ondanks een gebrek aan dynamiek toch weet te intrigeren.

De voorstelling Lucifer door het Vlaamse gezelschap Theater Zuidpool is gebaseerd op twee stukken van Joost van den Vondel: Adam in ballingschap uit 1664 en uiteraard Lucifer uit 1654. Het verhaal draait om de schepping van de mens en de val van de engel Lucifer. God schept de mens en draagt de engelen op zich in dienst te stellen van die creatie. De engelen voelen zich gepasseerd en onder leiding van Lucifer ontstaat een opstand. Als straf wordt Lucifer door God verbannen naar de onderwereld.

De gevallen engel Lucifer ging ten onder aan de misschien wel meest aan de mensheid inherente karaktereigenschap: jaloezie. Die menselijkheid van de engelen vormt een belangrijk aspect in de enscenering van Zuidpool. De poppen die de engelen uitbeelden worden bespeeld door de acteurs. Door mensen dus. Zolang de engelen in het stuk zich als engelen gedragen en hun statige monologen houden, blijven de acteurs op de achtergrond. Maar zodra de engelen twijfelen en bekokstoven stappen de acteurs uit hun schaduw. Zoals in het verhaal de mensen creaties zijn van God, zijn in feite de engelen creaties van ons, mensen.

De vormgeving van Lucifer is sober en spiegelt de ontmaskering van de engelen als creaties van de mens. Wanneer het voordoek open is zien we op het toneel een kleine vierkante verhoging waarachter opnieuw een doek is. Binnen de poppenkast bevindt zich nog een poppenkast, daarachter wellicht nog een. De voorstelling is als een analyse van onze eigen scheppingsdrift. We worden niet geacht in de poppen te gaan geloven, of ons volledig in het verhaal te verliezen, maar te beschouwen hoe de illusie gecreëerd wordt en daarin slaagt de voorstelling zeer wel.

De acteurs trekken dat analytische door in hun spel. Regelmatig lijken ze te reflecteren op de daden van de engelen die ze spelen. Soms letterlijk zetten ze een stap opzij en bezien de handelingen van de poppen. Stuk voor stuk doen ze dat voortreffelijk, maar Jan Decleir blijft als acteur een fenomeen op zich. Al was het maar om die wenkbrauwen die als borstels boven zijn ogen fronsen. Hij dondert en tiert zoals je van Lucifer verwacht, maar weet op de juiste momenten terug te schakelen en de loyaliteitsstrijd van zijn personage invoelbaar te maken.

De teksten van Vondel worden daarbij prachtig in hun waarde gelaten. De acteurs geven met hun zangerige Vlaams de rijmende teksten melodie mee. Hier en daar is het misschien door al die in vergetelheid geraakte taal niet woord voor woord te volgen, op die momenten maakt de poëzie veel goed. Toch leidt het er, in combinatie met het ontbreken van emotioneel meeleven, onherroepelijk toe dat de voorstelling moeite heeft de aandacht vast te houden. Momenten van stil spel zijn dan een welkome afwisseling, maar zeer spaarzaam. Hoogtepunt is een scène tussen Rafaël en Lucifer (gespeeld door dochter Sofie Decleir en vader Jan Decleir). Voor Rafaël een vurig pleidooi afsteekt om Lucifer van zijn opstand te behouden staan de twee tegenover elkaar en beroeren elkaars gezicht. De duivel kent tederheid. Je zou er bijna rillingen van krijgen.

Richting het einde maken de personages zich steeds nadrukkelijker los van de poppen. Aan het einde legt Jan Decleir de pop van Lucifer zelfs af en spreekt zijn eindmonoloog alleen uit op het toneel. De zaal in turend als een hert dat in koplampen staart. Niet angstig, niet eens verbaasd, maar simpelweg ontmaskerd als een man in wat voddige kleren. Het is op dat moment dat ontroering dan toch nog de overhand neemt. Hier zien we ineens een man die fouten maakt, een man die spijt betuigt, een man voor wie wij compassie voelen. Want Lucifer is geen duivel met rode ogen. Net zo min als menselijk kwaad is terug te voeren op een appel aan een boom.

Lucifer
Naar: Joost van den Vondel
Van en met: Jorgen Cassier, Jan Decleir, Sofie Decleir en Koen van Kaam
Gezien: 3 januari 2011, Stadsschouwburg Amsterdam

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s