De Canadezen

Een kind hoort niet te weten wat oorlog is. Dat was bij mij goed gelukt. Ik groeide op aan de rand van Leusden. Tegenover ons huis was de Liniedijk, onderdeel van de Grebbelinie, en een belangrijke verdedigingslinie in de Tweede Wereldoorlog. Voor mij was het een speeltuin. Ik en mijn zus speelden er boerderijtje, deden er de Bobobobs na en verzorgden er een paard dat niet bestond. En we raakten er Takkie kwijt, een houten hond aan een touwtje met wieltjes als pootjes, vernoemd naar die van Jip en Janneke. Ik troostte me met de gedachte dat een dapper hondje als Takkie zich wel zou redden in de natuur.

Maar over een oorlog wist ik niets. Ja, ik kende natuurlijk wel de enorme bunkers die verspreid over de dijk stonden, maar dacht altijd dat die er waren voor de oudere kinderen zodat ze ergens konden roken en drinken zonder dat hun ouders het zagen. Toch werd ik op relatief jonge leeftijd voor het eerst geconfronteerd met de geschiedenis van onze speeltuin. Volgens mijn moeders olifantengeheugen was ik zes en mijn zus acht. We draafden net met onze denkbeeldige paarden over de kronkelpaden van onze fantasie toen een groepje oude mannen ons tegemoet kwam. Het waren Canadese veteranen. Ze vertelden ons, via een tolk, dat op de plek waar wij speelden zij in de oorlog de Duitsers hadden bevochten. Daarna gaven ze ons een klein speldje met daarop de Canadese vlag. Ik stam nog uit het tijdperk van kinderlokkers en daarom waarschuwde mijn moeder ons altijd dat we nooit snoepjes moesten aannemen van vreemde mannen. Over speldjes had ze nooit iets gezegd. Dus namen mijn zus en ik ze beleefd in ontvangst en vervolgden de Canadezen met een hoofdknik en een glimlach hun weg. We begrepen er weinig van.

Pas jaren later kreeg ik op school les over de Tweede Wereldoorlog en kregen die Canadezen, Duitsers en bunkers ineens een context. En kwam het besef dat de dijk voor ons huis meer was dan het land van de Bobobobs. Het was een oorlogsmonument. Ik was niet de enige die dat besef kreeg. Stukken van de Liniedijk en de bunkers werden nationale monumenten. Er stonden ineens bordjes en de bunkers werden dichtgetimmerd. Blowende jongeren pasten nou eenmaal niet bepaald in het historische plaatje. Er kwamen mensen met fototoestellen en leesbrillen die ons de weg vroegen. Mijn zus en ik waren ondertussen op een leeftijd dat we niet meer geloofden in denkbeeldige paarden. We begrepen waar de mensen voor kwamen en wezen geduldig de weg.

Maar de meest indrukwekkende plek bleef het bestbewaarde geheim. Om er te komen moest je een stuk verwilderde dijk over, vervolgens via een boomstronk over een stuk schrikdraad springen, een stuk erf oversteken, onder nog een stuk schrikdraad door en een bruggetje over. En daar was het graf van de vier boeren. De boeren hadden tijdens de oorlog Joodse onderduikers in huis. De oorlog ging voorbij en de Joden hadden het gered. Maar een paar dagen na de bevrijding bereikte dit verhaal een paar Duitse soldaten. Ze zochten de boeren op en schoten hen dood. De oorlog overleven om in de bevrijding alsnog te sterven. Kan het wranger dan dat? Toch kwam ik graag op die plek als kind. Omdat het niet mocht en dus spannend was. Maar ook om de totale verstilling die er heerste. Alsof een stukje geschiedenis daar bevroren lag in die steen.

Ik ben er al jaren niet meer geweest. Ik heb het nog wel een keer geprobeerd, maar de dijk was onbegaanbaar geworden. De zoveelste aanwijzing dat alles aan het veranderen is in het Leusden waar ik opgroeide. Fietspaden zijn bejaardentehuizen geworden en de Super de Boer is nu een Jumbo. Waarschijnlijk gaan die dingen nu eenmaal zo. Het speldje van de Canadezen heb ik nog steeds. Ik bewaar het in een doosje onder mijn bed. In dat doosje zitten nog meer spullen die allemaal hun eigen verhaal hebben. Verhalen die samen een kindertijd vormen. En zo langzaam aan de laatste bewijzen dat die tijd ooit is geweest.

Zo’n zes jaar geleden kreeg de gemeente plannen om een woonwijk aan te leggen tussen de dijk en het Valleikanaal dat daarachter ligt. Als protest hebben mijn zus en ik toen een kauwgompje geplakt op een poster van het verantwoordelijke gemeenteraadslid. Op zijn neus. Dat zou hem leren. Intussen weten we beter. Eind vorig jaar is er een vergunning afgegeven om 145 bomen te kappen voor ons huis. En die woonwijk, inclusief hoge flats en jengelende kinderen, die gaat er komen. Dan zullen er nieuwe zes- en achtjarige kinderen spelen op de Liniedijk. Maar de dijk zal dan kaal zijn. Zonder bomen en zonder Canadezen met speldjes. Ik hoop dat Takkie dat niet meer hoeft mee te maken.

Bij dit essay was het de opdracht te schrijven vanuit een ding. Dat mocht alles zijn. In mijn geval werd het dus het speldje dat ik als kind kreeg van een paar Canadeze veteranen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s