Een rimpelloos spiegelbeeld

‘Het einde van dit verhaal zal dus in de toekomst een begin zijn.’

Op een dag krijgt Otto in het berghok achter de winkel van mijnheer en mevrouw Maandag een boekje in handen gedrukt. De lamp is stuk, dus ziet Otto niet wie hem het boekje geeft, maar hij hoort wel een zachte stem die zegt: ‘Moet je lezen, beregoedgaaf’.

Met woorden van gelijke strekking raadde mijn oudste zus mij het boek aan waarin dit gebeurt: Aan de andere kant van de deur van Tonke Dragt. Het is deel één van Zeeën van Tijd, waarvan deel twee nog altijd op zich laat wachten. Vaak weet je bij een mooi boek nog de omstandigheden waarin je het las. In die zomer tijdens een lome hittegolf. Op vakantie in een druilerig Zeeland. In de kale kantine op het werk. Van Aan de andere kant van de deur weet ik niet wanneer ik het voor het eerst las of onder welke omstandigheden dat was. Ik kan me eigenlijk moeilijk voorstellen dat er een tijd is geweest dat ik het boek niet kende. Of zelfs dat ik bestond toen dit boek er nog niet was.

Otto leest in het boekje dat hij in handen krijgt over een wereld aan de andere kant van de deur. Een wereld die verschijnt als je op het juiste moment de deur opent. Want weet je ooit echt wat er aan de andere kant van de deur wacht? ‘Je denkt het te weten, maar zéker weet je het pas als je de deur geopend hebt’. Ook Otto ontdekt de wereld aan de andere kant. Via eindeloze wenteltrappen daalt hij af in een doolhof van muziekzalen, weer trappen, bibliotheken en nog meer trappen.

Nog maanden nadat ik het boek had gelezen voelde ik een onderdrukte opwinding elke keer als ik op het punt stond mijn kamerdeur open te doen. Tja, daar ben je kind voor. Als kind laat je ook geen scheten, maar flitspoppers en nachtmerries heetten trollekloppers. Maar waar mijn angst voor vleeslapeters met de jaren wel verdween, daar bleef de wereld aan de andere kant van de deur levendig tussen mijn oren kleven. Ook nu nog blijf ik wel eens met de deurkruk in mijn hand staan en drentel een tijdje in onzekerheid. In mijn hoofd echoën de woorden. ‘Je weet nooit echt wat er is aan de andere kant. Je denkt het te weten…’.

De eerste persoon die Otto tegenkomt aan de andere kant van de deur is Christian, het Galgekind, die hem vertelt dat het gebouw een ambassade is van een land dat Otto niet kent: de Januaraanse Ambassade. Het Galgekind schept er genoegen in zekerheden op losse schroeven te zetten. Volgens hem tikt een klok alleen als je in de ruimte bent. ‘Bewijs maar dat het anders is’. En als je de wijzers van alle klokken afhaalt heb je zeeën van tijd. Het zijn dergelijke paradoxen en gedachte-experimenten die een terugkerend motief vormen in het boek. Het is niet toevallig dat de kat van Schrödinger ook in de Ambassade woont. Evenals Einstein overigens. De deuren van de Ambassade staan altijd open en iedereen mag er asiel aanvragen. En dus moet je ook niet vreemd opkijken als er opeens een grote blauwe man van Mars voor je staat die Donker Marsjan heet en op een motor rijdt. Niets staat vast. Alles is mogelijk.

Een aantal jaren geleden werd ik op de Dam aangesproken door een Jehovagetuige. Ze vroeg me of ik wilde weten wat Gods plan voor mij was. Ik antwoordde dat als er al zo’n plan was ik het niet wilde weten, omdat het leven dan weinig meer te bieden zou hebben, waarop ze me schaapachtig aanstaarde. ‘Maar… wil je geen zekerheid‘, probeerde ze nog vertwijfeld. Ik sprak vastberaden: ‘voor mij is het niet zeker weten of een klok tikt als je niet kijkt juist wat het leven zin geeft’. Ik keek in de van onbegrip verschrikte ogen van de Jehovagetuige en waande me even Christian het Galgekind. Het voelde beregoedgaaf.

In alle onzekerheid moet je echter één ding nooit verliezen: jezelf. Het grote gevaar aan de andere kant van de deur is dat je je naam vergeet en je eigen spiegelbeeld niet meer herkent. Als dat gebeurt verdwijnt je eigen wereld. Ik zal dankzij dit boek nooit mijn naam vergeten. Ik kom er namelijk in voor. Het verhaal dat Otto leest over de andere kant van de deur is geschreven door een meisje dat Elise heet. En ondanks dat in het boek blijkt dat Elise mevrouw Maandag is, huist in mij een standvastig vermoeden dat dit berust op een vormfout. Dat eigenlijk ik die Elise ben. Hoe kan het anders dat als iemand me vraagt wat de mooiste plek is waar ik ooit geweest ben, ik in gedachten de trappen van de Ambassade afdaal en door het raam de tuin in klim. Dat ik via wentelende paden uiteindelijk de vijver met de zwaan vind waar ook Otto heeft gestaan. En dat als ik in het rimpelloze water kijk, ik mijn eigen spiegelbeeld zie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s