Een verhaaltje voor het slapengaan

Het begon allemaal met de Volkskrant van 11 oktober 2010. Het regeerakkoord was bekend, er zou 200 miljoen worden bezuinigd op het cultuurbudget. In de krant een artikel over de aanstelling van Johan Simons bij het prestigieuze Duitse theatergezelschap Münchner Kammerspiele. Ook Pierre Bokma, de beste Nederlandse toneelacteur durf ik toch wel stellig te beweren, wordt geïnterviewd. Hij zal deels bij Simons in Duitsland gaan werken. Hij reageert op de bezuinigingen: ‘in Duitsland doet theater er tenminste nog toe, de mensen verdiepen zich erin. Dat past goed bij Johans visie op theater, waarin grote verhalen over kleine mensen verteld worden. In Nederland zijn die verhalen niet meer gewenst, daar moet het volk voortdurend geëntertaind worden’. Aanvankelijk voel ik me vooral persoonlijk aangevallen. Het gaat per slot van rekening over mij. Ik ben die Nederlander die geen verhalen meer wil en alleen geëntertaind dient te worden. Maar de in mijn hoofd ontstane persoonlijke vete blijkt in werkelijkheid een kloof tussen de theaterwereld en haar publiek.

De opmerkingen van Pierre Bokma zijn namelijk geen incident. De theaterwereld lijkt het geloof in de eigen toeschouwers kwijt te zijn. In haar Staat van het Theater (een soort jaarlijkse zelfbevlekking) zegt Joan Nederlof op 2 september 2010 over de aangekondigde bezuinigingen: ‘we hoeven niet te verwachten dat daar vanuit de samenleving spontaan een stokje voor gestoken gaat worden. Want het is niet voor niks dat de PVV en de VVD de verkiezingen hebben gewonnen’. Toch staat vier dagen na het Volkskrant artikel in dezelfde krant het bericht dat uit onderzoek is gebleken dat zeventig procent van de Nederlanders vindt dat er niet moet worden bezuinigd op kunst en cultuur. Dertig procent vindt de huidige subsidies zelfs te laag. En op 20 november 2010 gaan 100.000 mensen in Nederland de straat op om te demonstreren tegen de bezuinigingen. Voor een aanzienlijk deel mensen wiens banen niet op de tocht staan, wiens financiële situatie er op vooruit zal gaan als er geen kunst meer is, maar die niet willen dat er op deze manier wordt bezuinigd op kunst en cultuur. De schreeuw van die dag is door de theaterwereld tot op heden echter niet gearticuleerd.

Dat is aan Nederlof overigens niet geheel te wijten. Zij zegt namelijk in dezelfde speech dat theater ‘een naar binnen gerichte wereld’ is geworden en dat ‘we ons misschien [moeten] afvragen hoe het komt dat we zo slecht weten te verwoorden waarom theater de moeite van het verdedigen waard is’. Ik zeg: laat dat ‘misschien’ maar weg. Het is mijn mening dat het theater aan een chronisch gebrek aan zelfreflectie lijdt. De theaterwereld heeft zich te lang onaantastbaar gewaand en daarmee is de noodzaak haar bestaansrecht te formuleren in slaap gesust. En nu men wordt gevraagd naar wat theater voor betekenis heeft komt men niet verder dan wat binnensmonds gemompel.

Men zou een voorbeeld kunnen nemen aan film, een discipline die nooit is teruggedeinsd voor het concreet definiëren van zijn functies, daartoe ook gedwongen in zijn gevecht om een bestaansrecht tegenover de gevestigde kunsten. Zo blijkt daar het begrip ‘entertainen’ een stuk minder vies. In een artikel uit 1915 beschrijft psycholoog Hugo Münsterberg de hoofdtaak van film als volgt: ‘to bring entertainment and enjoyment and happiness to the masses’. In de jaren ’90 schrijft Joseph Anderson over film als spel voor volwassenen. Zoals je als kind via een spel op een veilige manier leert over gevaren in de grote wereld, zo leer je als filmtoeschouwer om te gaan met emoties. Soortgelijk is de strekking van een van mijn favoriete filmessays, ‘The Violent Dance’ van Vivian Sobchack, geschreven in de jaren ‘70. Ze vraagt zich af waarom we naar geweld in films kijken en legt de crux in de confrontatie. ‘To know violence is to be temporarily safe from the fear of it’. Wat mij betreft ook mooie theorieën voor theater, maar waar het vooral om gaat is dat in de filmwereld die onuitputtelijke reflectie en zelfkritiek bestaat die het theater soms zo ontbeert.

Hotel Savoy (Foto: Lenore Blievernicht)

Dat is erg, want bij die zelfreflectie komt genoeg om voor te vechten bovendrijven. Afgelopen januari bezocht ik de Duitse voorstelling Hotel Savoy, geregisseerd door Johan Simons. Inderdaad, de voorstelling waar het artikel in de Volkskrant over ging. Inderdaad, met Pierre Bokma. De voorstelling, naar een boek van Joseph Roth, speelt zich vlak na de Eerste Wereldoorlog af in een wereld die zijn oude wonden likt terwijl nieuwe wonden op scheuren staan. Tegen het einde zet een granaat het hotel in brand. In mijn hoofd zie ik de brandende torens van het World Trade Center en plotseling ben ik vergeten dat ik een zeurende pijn in mijn rug heb van het scheef zitten in een veel te harde stoel. Zonder iets op te dringen confronteert Hotel Savoy mij met mijn wereldbeeld, waarin 9/11 een bepalend moment is geweest. Na mijn veertiende was de wereld nooit meer hetzelfde. Al die dingen begrijp ik ineens door deze voorstelling. Terwijl ik naar buiten loop schieten de woorden van Vivian Sobchack door mijn hoofd: ‘in a time when we seemed safe, not immediately threatened, we could ignore our fear and indulge our squeamishness. Today, this is hardly possible’.

Dat citaat reikt voorbij de voorstelling. Het verwoordt de staat van het theater. Een staat van dreiging en onzekerheid waarin men de kop niet langer in het zand mag steken. Als de theaterwereld haar eigen betekenis al niet kan duiden, hoe kan een ander dat dan wel? Als er een moment is om het heft in eigen hand te nemen is het nu. Want daar zit de grote denkfout in de opmerkingen van Pierre Bokma. Wat hij in feite zegt is dat het publiek om het verkeerde vraagt. Maar is het een teken van cultuurbarbarisme als je aan het publiek vraagt wat ze willen zien en ze antwoorden massaal ‘Avatar de musical’? Nee! Het is niet aan het publiek om de creativiteit aan te dragen. Het is niet aan het publiek de onbegaande paden in te slaan. Dat is de taak, de roeping desnoods, van de theatermaker.   

Op zijn best is theater een baken. Een baken dat een licht schijnt waarin je met jezelf geconfronteerd wordt. Maar aan zo een baken heb je niets als het achter je schijnt. Ik zou dan ook tegen de heer Bokma en zijn collega’s willen zeggen: wat kan het schelen als het volk alleen geëntertaind zou willen worden? Het is nu juist de kunst van het theater om verhalen te vertellen die dwars door de waan van de dag en de grillen van de massa heen gaan. Er is nog nooit een kind geweest dat uit het niets aan zijn vader vroeg of hij hem wilde voorlezen voor het slapengaan. De vader las voor. En deed dat zo dat het kind de volgende dag al bij het wakker worden vroeg: ‘papa, lees je me vanavond weer voor?’.

De opdracht voor dit artikel was het schrijven van een politiek essay. Ik heb daarvoor wel geput uit mijn eigen frustratie, maar wel een hoop nuances weg te laten die ik zelf ken. Ik had namelijk het gevoel dat dit wel een visie is die door veel mensen (deels ten onrechte) wordt gedeeld. Wat ook bleek uit de reacties die ik kreeg. Vooral een heel fascinerende opdracht om te ontdekken wat je kunt losmaken met woorden op een papier.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s