Spoken

Nog voor de voorstelling Spoken echt begint zien we op het toneel een groot, vierkant paneel en horen een ruisend geluid wat later vallend water blijkt te zijn. Het doet me denken aan een sneeuwende televisie, een beeld dat ik sinds het zien van de film Der Siebente Kontinent van Michael Haneke onherroepelijk verbind aan de dood, aan geesten. Na hun collectieve zelfmoord zitten de drie gezinsleden voor de televisie. Eeuwig starend naar het sneeuwende beeld. Ik begin al wat te associëren op hoe de personages van Ibsen al bij leven spoken zijn. Ik maak me op voor wat Loek Zonneveld een ‘hersenknersende’ voorstelling zou noemen. Maar helaas komt er, wanneer de voorstelling dan daadwerkelijk aanvangt, van dat hersenknersen weinig meer terecht.

Ibsen schreef Spoken in 1881 als reactie op de commotie rondom Een Poppenhuis, zijn voorgaande werk, waarin een vrouw haar man verlaat. Dit stuk toont ons het leven van Hélène Alving, een vrouw die wel bij haar man bleef, ondanks dat het haar ongeluk betekende. Ze hield de schijn op en richt na zijn dood zelfs een kindertehuis op ter nagedachtenis aan het monster dat haar in zijn greep hield. Als haar zoon Oswald dan na jaren terugkeert uit Parijs begint de façade af te brokkelen. De Duitse Thomas Ostermeier, die met deze Ibsen een gastregie vervult bij Toneelgroep Amsterdam, heeft ervoor gekozen in zijn enscenering de nadruk te leggen op de omslag van de schone schijn naar de chaos die ontstaat wanneer die schijn wegvalt. Die omslag vindt plaats wanneer het tehuis, symbool van de schijn, afbrandt. De voorstelling maakt op dat punt een overgang van vrij tekstueel toneel naar fysiek theater en splijt daarmee in tweeën. Het tweede deel is daarbij op z’n minst interessanter, maar krijgt niet de impact die het verdient, omdat het eerste deel ronduit niet sterk genoeg is.

Dat eerste deel wordt namelijk overheerst door slecht geïntegreerde elementen. Ostermeier plaatst zijn enscenering in een decor op een draaischijf die afwisselend de eetkamer en de woonkamer naar de voorgrond brengt. De kamers worden gescheiden door twee beweegbare vierkante panelen waar zo nu en dan beelden op geprojecteerd worden. Een deel van die beelden wordt gefilmd door Oswald, gespeeld door Eelco Smits, die een aantal scènes met een enorme camera rond zeult. Het constant stellen van de camera komt echter rommelig over en er lijkt een willekeur in de momenten van filmen. Diezelfde willekeur tekent ook het draaiplateau dat soms wel erg lang blijft draaien zonder schijnbare reden. Dat alles betekent een aanslag op het ritme van de voorstelling waarbij nog komt dat het bij vlagen lastig verstaanbaar is en zichtlijnen soms slecht zijn. Scènes die zwanger zouden moeten zijn van onderhuidse spanning en onuitgesproken vermoedens blijven daardoor vaak steken aan het oppervlak en worden zelden meeslepend.

Het ontbreken van een helder ritme lijkt de acteurs ook parten te spelen. Geen van hen weet echt te imponeren, alhoewel Fred Goessens een vermelding waard is. In zijn rol als vader van de dienstmeid van mevrouw Alving is hij tegelijk aandoenlijk en doortrapt op een manier die nieuwsgierig maakt. En die me overigens ook doet beseffen hoeveel rendement van deze acteur bij Toneelgroep Amsterdam ongebruikt blijft.

De zwakte van het eerste deel wreekt zich echter pas volledig in het tweede deel. Zoals je bij Formule 1 uit de bocht vliegt omdat je honderd meter daarvoor een stuurfout maakte. Met dat tweede deel wil Ostermeier tonen wat er gebeurt wanneer schijn niet langer wordt opgehouden. Wat dan rest is een vernietigende chaos. Maar een dergelijk radicale overgang werkt alleen als het eerste deel goed is uitgewerkt. Als daarin al de frictie schuilt. Nu die frictie ontbreekt blijven de twee delen op zichzelf staan en lijken de handelingen van de personages tegen het einde totaal geen verband meer te hebben met het begin van de voorstelling. Zo zakt het tweede deel bij gebrek aan fundering in elkaar.

Daarmee kom ik nog een keer terug op Der Siebente Kontinent. Een film die ook inhoudelijk overeenkomsten kent met Spoken. Het gezin is schijnbaar perfect, en in een ultieme poging het verstikkende harnas van de bourgeoisie te ontworstelen, wendt men zich tot de vernietiging. Wat de film echter zo fascinerend maakt, is dat die zelfvernietiging een bijna mechanische systematiek vertoont. Ook in de chaos legt de mens zich restricties op. Naar mijn idee is dat ook de subtiele kracht van Ibsens stuk. Hij zet de restrictie en de chaos niet lijnrecht tegenover elkaar, maar toont hoe de mens van nature beide in zich draagt en in een constante strijd verwikkeld is die twee aspecten te balanceren. Met de radicale omslag die Ostermeier maakt gaat hij aan die subtiliteit voorbij en forceert hij de voorstelling in een spagaat die niet overbrugbaar blijkt.

Spoken
Naar: Henrik Ibsen
Door: Toneelgroep Amsterdam
Regie: Thomas Ostermeier
Gezien: 24 februari 2011, Stadsschouwburg Amsterdam

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s